Lage Zwaluwe

Overig

In de rubriek ‘Overige angststoornissen’ horen thuis de angsttoornis door een somatische aandoeining, door gebruik van een middel, of niet anders omschreven.

Angststoornissen zijn beschreven in de DSM IV, en daarmee vallen daarmee ook onder verzekerde zorg. Onderstaand vindt u de omschrijvingen zoals ze in de DSM beschreven worden.


293.89 (F06.4) Angststoornis door…. (vermeld de somatische aandoening) (Anxiety Disorder Due to…. [Indicate The General Medical Condition)

A. Opvallende angst, paniekaanvallen, dwanggedachten of dwanghandelingen overheersen het beeld

B. Er zijn aanwijzingen uit anamnese, lichamelijk onderzoek of laboratoriumuitslagen dat de stoornis de directe fysiologische konsekwentie is van een somatische aandoening.

C. De stoornis is niet eerder toe te schrijven aan een andere psychische stoornis [bv. een ‘aanpassingsstoornis met angst ‘ waarbij de stressfactor een ernstige somatische aandoening is].

D. De stoornis komt niet uitsluitend voor in het beloop van een delirium.

E. De stoornis veroorzaakt in significante mate lijden of beperkingen in sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.

Specificeer indien:
Met gegeneraliseerde angst: indien buitensporige angst of bezorgdheid over een aantal gebeurtenissen of activiteiten het beeld overheersen.
Met paniekaanvallen: indien paniekaanvallen overheersen
Met obsessieve-compulsieve symptomen: indien dwanggedachten of dwanghandelingen het beeld overheersen.

Coderingsaanwijzing: Geef ook de naam van de somatische aandoening op As I: bv. 293.89 – Angststoornis door feochromocytoom, met gegeneraliseerde angst; codeer ook de somatische aandoening op As III.

 

Angststoornis door een middel (Substance-Induced Anxiety Disorder)l

A. Opvallende angst, paniekaanvallen, dwanggedachten of dwanghandelingen.

B. Er zijn aanwijzingen uit anamnese, lichamelijk onderzoek of laboratoriumuitslagen voor ofwel [1] of [2]:

  1. de symptomen van criterium A ontstaan tijdens of binnen één maand na een intoxicatie of onthouding van middelen
  2. het gebruik van een geneesmiddel heeft een oorzakelijk verband met de stoornis

C. De stoornis is niet eerder toe te schrijven aan een angststoornis die niet teweeggebracht is door een middel. Tot de aanwijzingen dat de symptomen eerder toe te schrijven zijn aan een angststoornis die niet teweeggebracht is door een middel kunnen de volgende gerekend worden:

  1. de symptomen gaan vooraf aan het gebruik van het [genees]middel
  2. de symptomen bleven een substantiële periode aanwezig [bv. ongeveer een maand] na het einde van de acute onthouding of ernstige intoxicatie, of zijn aanzienlijk ernstiger dan wat men zou verwachten op basis van de aard of hoeveelheden van het gebruikte middel of de duur van het gebruik
  3. of er zijn andere aanwijzingen die het bestaan van een onafhankelijke niet door een middel teweeggebrachte angststoornis aannemelijk maken [bv. een voorgeschiedenis met recidiverende niet door een middel teweeggebrachte paniekaanvallen].

D. De stoornis komt niet uitsluitend voor in het beloop van een delirium

E. De stoornis veroorzaakt in significante mate lijden of beperkingen in sociaal of beroepsmatig functioneren of op andere belangrijke terreinen van functioneren.

N.B.: Deze diagnose mag alleen in plaats van de diagnose ‘intoxicatie door een middel’ of ‘onthouding van een middel’ gesteld worden als de angstsymptomen ernstiger zijn dan die welke meestal samengaan met een intoxicatie- of onthoudingssyndroom en als de angstsymptomen voldoende ernstig zijn om afzonderlijke zorg te rechtvaardigen.

Codenummers voor specifieke door middelen teweeggebrachte angststoornis:

  • 291.8 (F10.8) Alcohol
  • 292.89 (F15.8) Amfetamine [of een amfetamine verwant middel]
  • 292.89 (F15.8) Cafeïne
  • 292.89 (F12.8) Cannabis
  • 292.89 (F14.8) Cocaïne
  • 292.89 (F16.8) Hallucinogeen
  • 292.89 (F18.8) Vluchtige stoffen
  • 292.89 (F19.8) Fencyclidine [of verwant middel]
  • 292.89 (F13.8) Sedativum, Hypnoticum of Anxiolyticum
  • 292.89 (F19.8) Ander [of onbekend] middel

Coderingsaanwijzing:Zie de procedures voor het vastleggen

Specificeer indien:
Met gegeneraliseerde angst: indien buitensporige angst of bezorgdheid over een aantal gebeurte- nissen of activiteiten het beeld overheerst.
Met paniekaanvallen: indien paniekaanvallen het beeld overheersen
Met obsessieve-compulsieve symptomen: indien dwanggedachten of dwanghandelingen het klinische beeld overheersen.
Met fobische symptomen: indien fobische symptomen het beeld overheersen

Specificeer indien: Zie de Tabel voor de toepasbaarheid bij middelen.
Met begin tijdens intoxicatie: indien aan de criteria voor intoxicatie door een middel wordt voldaan en de symptomen tijdens het intoxicatiesyndroom ontstaan
Met begin tijdens onthouding: indien aan de criteria voor onthouding van een middel wordt voldaan en de symp- tomen tijdens of kort na een onthoudingssyndroom ontstaan.

300.00 (F41.9) Angststoornis NAO (Anxiety Disorder NOS)

Deze categorie omvat stoornissen met opvallende angst of fobische vermijding die niet voldoen aan de criteria van een specifieke ‘angststoornis’, ‘aanpassingsstoornis met angst’ of een ‘aanpassingsstoornis met gemengd angstige en depressieve stemming’. Tot de voorbeelden horen:

  1. (F41.2) Gemengde angststoornis en depressieve stoornis: Significante symptomen van angst en depressiviteit, maar er wordt niet voldaan aan de criteria voor een specifieke stemmingsstoornis of een specifieke angsstoornis.
  2. Significante sociaal-fobische verschijnselen die verband houden met de sociale gevolgen van het hebben van een somatische aandoening of psychische stoornis [bv. ziekte van Parkinson, dermatologische ziekten, stotteren, anorexia nervosa, stoornis in de lichaamsbeleving].
  3. Situaties waarin de stoornis ernstig genoeg is om de diagnose ‘Angststoornis’ te rechtvaardigen is, maar iemand er niet in slaagt voldoende verschijnselen te melden om te voldoen aan de volledige criteria van om het even welke specifieke Angststoornis: Iemand heeft bv. alle kenmerken van een Paniekstoornis zonder agorafobie maar de paniekaanvallen hebben allemaal minder dan vier somatische of cognitieve verschijnselen
  4. Situaties waarin een angststoornis vastgesteld is terwijl niet kan worden vastgesteld of deze primair het gevolg is van een somatische aandoening of door een middel is teweeggebracht